InfoNu.nl > Zakelijk > Juridisch > Noodweer (exces), (psychische) overmacht, ontoerekenbaarheid

Noodweer (exces), (psychische) overmacht, ontoerekenbaarheid

Noodweer (exces), (psychische) overmacht, ontoerekenbaarheid Er zijn vier voorwaarden van strafbaarheid van een gedraging: het moet gaan om een menselijke gedraging; die valt binnen een wettelijke delictomschrijving; die wederrechtelijk is; en de gedraging moet aan schuld te wijten zijn. Er zijn echter ook een viertal rechtvaardigingsgronden: overmacht, noodweer, wettelijk voorschrift en bevoegd gegeven ambtelijk bevel. En vier schulduitsluitingsgronden: ontoerekenbaarheid, (psychische) overmacht, noodweerexces, een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel.

Noodweer (exces), (psychische) overmacht, ontoerekenbaarheid


Wat zijn strafbare gedragingen?

Wil een bepaalde gedraging strafbaar zijn, dan moet worden voldaan aan vier voorwaarden:
  1. het moet gaan om een menselijke gedraging of een gedraging van een rechtspersoon;
  2. de gedraging moet vallen binnen een wettelijke delictomschrijving;
  3. er moet sprake zijn van een wederrechtelijke gedraging;
  4. de gedraging moet aan schuld te wijten zijn
.

Alleen indien aan deze vier voorwaarden van strafbaarheid zijn voldaan, dan wordt een bepaalde gedraging als strafbare gedraging aangemerkt.

1. Gedraging

Een menselijke gedraging betekent dat een dier of ding geen strafbaar feit kan plegen. Mensen zijn immers dragers van rechten en plichten en dieren niet. Het gaat om een gedraging, met andere woorden het gaat expliciet niet om het aanhangen van een bepaalde overtuiging of denkwijze. Het gaat om het doen of nalaten van iets, oftewel het verrichten van een feitelijke handeling, een zogeheten commissiedelict of het nalaten van een bepaalde handeling, een zogeheten omissiedelict. Tevens moet er een zekere mate van wil of intentie achter de gedraging zitten. Zo kan een persoon die struikelt en door een ruit valt, niet worden veroordeeld voor vernieling.

2. Legaliteitsbeginsel

De gedraging moet vallen binnen de grenzen van een wettelijke delictomschrijving. Deze vereiste, het legaliteitsbeginsel is vastgelegd om artikel 1, lid 1, Wetboek van Strafrecht: “Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane strafbepaling”. Dit rechtsbeginsel moet een burger beschermen tegen willekeur en rechtsonzekerheid en is een essentieel onderdeel van de rechtsstaat. Het bestaat uit vier deelbeginselen:
  1. Lex certa: er moet sprake zijn van een duidelijke wet of wetsbepaling: welk nader omschreven gedrag is onder welke specifieke voorwaarden strafbaar. De strafbaarheid moet duidelijk afgegrensd zijn.
  2. Het verbod van terugwerkende kracht: een persoon kan slechts gehouden worden aan een wetsbepaling die van kracht was op het moment dat die persoon datgene deed of naliet te doen waarop die wetsbepaling betrekking heeft.
  3. Lex scripta: de bepaling moet opgeschreven staan en moet niet voortkomen uit gewoonterecht.
  4. Het verbod van analogie. Een wetsartikel moet altijd in meer of mindere mate door de rechter geïnterpreteerd worden, doch indien de wetgever een bepaald onderdeel niet heeft geregeld of strafbaar heeft gesteld, mag de rechter geen analogische interpretatie toepassen. Uit een wetsartikel dat van toepassing is of lijkt te zijn op een vergelijkbaar geval, mag geen algemene grondregel worden afgeleid die toegepast kan worden op betreffend geval. Extensieve interpretatie, dat wil zeggen de bepaling ruim interpreteren mag wel. Hierbij gaat de rechter uit van de geest van de wet – de bedoelding van de wetgever – en niet van de letter.

3. Wederrechtelijkheid

Als het gaat om een menselijke gedraging die valt binnen een wettelijke delictomschrijving, dan is de vooronderstelling dat die gedraging wederrechtelijk is – dat wil zeggen: in strijd met het objectieve recht. Er zijn echter rechtvaardigingsgronden die aan de gedraging het wederrechtelijke karakter ontnemen. Er zijn vier wettelijke rechtvaardiginggronden. Deze zijn niet specifiek dadergebonden; het gaat daarbij niet om de reactie van de dader, maar om omstandigheden die de strafbaarheid doen vervallen.
  • overmacht;
  • noodweer;
  • wettelijk voorschrift;
  • bevoegd gegeven ambtelijk bevel.

3.1. Rechtvaardigingsgrond: noodweer

Noodweer is als volgt omschreven in artikel 41, lid 1, Wetboek van Strafrecht: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.” Bij noodweer gaat het dikwijls om zelfverdediging. Een zogeheten pre-emptive strike behoort tot de mogelijkheden; je hoeft niet te wachten totdat je daadwerkelijk aangerand wordt. Met eerbaarheid wordt niet bedoeld de goede naam, de persoonlijke eer of de eer van de familie, maar de seksuele integriteit.

Noodweer moet als rechtvaardigingsgrond voldoen aan de volgende twee eisen:
  • proportionaliteit: hetgeen ziet op de juiste verhouding tussen de wijze van verdedigen en het aangerande rechtsgoed, d.w.z. dat de manier van verdedigen in verhouding moet staat met de ernst van de aanranding;
  • subsidiariteit: hetgeen ziet op de keuze van het middel en de wijze waarop het gebruikt is; m.a.w. had niet in plaats van verdediging een andere uitweg of oplossing gekozen kunnen worden?

Bij noodweer moet er dus sprake zijn van proportioneel geweld en tevens moet het toevlucht nemen tot geweld het laatste redmiddel zijn. Het moet duidelijk zijn dat de verdachte zich niet aan de door hem als bedreigend ervaren situatie kon onttrekken. Als er zinvolle gedragsalternatieven waren, dan was verdediging niet noodzakelijk. Er zijn bij de beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit twee aanvullende eisen:
  • De Garantenstellung. Met deze Duitse term wordt aangeduid dat er een grotere verantwoordelijkheid rust op een persoon met een bijzondere kwaliteit, sociale positie of maatschappelijke status. Hierbij kunnen we denken aan politieagenten of artsen.
  • Culpa in causa. De verdachte moet niet willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer hebben opgezocht - in dat geval is de aanranding hem immers verwijtbaar.

In deze casus wordt een man verdacht van poging tot doodslag op zijn vriendin. Zowel de officier van justitie als de raadsman verzochten de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van noodweer, hetgeen ook werd gehonoreed door de rechtbank:

  • "Uit de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen bij de behandeling ter terechtzitting naar voren is gebracht, is gebleken dat in de nacht van 10 mei 2008 een treffen heeft plaatsgevonden tussen verdachte en de ex-vriend van zijn vriendin, zijnde het slachtoffer [persoon A]. Het slachtoffer was daarbij onder invloed van drempelverlagende middelen. Verdachte werd door [persoon A] aangevallen met een stroomstootwapen, waarbij hij naar achteren werd gedreven tot hij tegen een tafel werd gedrukt en niet verder aan zijn belager kon ontkomen. Nadat de aanval was aangevangen en terwijl deze voortduurde, heeft verdachte gepoogd zich met zijn handen te verweren en de aanval af te wenden, doch toen bleek dat dit niet lukte, heeft hij getracht van de tafel – waartegen hij klem stond – een voorwerp te grijpen teneinde zich met dit voorwerp te verdedigen en de aanval te doen stoppen. Verdachte heeft daarbij een mes in handen gekregen en stekende bewegingen gemaakt richting zijn belager, waarbij hij zijn belager een viertal steken heeft toegebracht. Direct nadat verdachte heeft bemerkt dat de kracht van zijn belager afnam, heeft hij de stekende bewegingen richting zijn belager gestaakt. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen het lijf van verdachte waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen."(1)

Door de rechtbank wordt ook ingegaan op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit:

  • "Om een beroep op noodweer te kunnen honoreren moet de verdediging hebben voldaan aan de eisen van proportionaliteit (...) en subsidiariteit (...). Ter beoordeling hiervan heeft de rechtbank met name in ogenschouw genomen dat [persoon A] degene is geweest die de aanval heeft ingezet en op verdachte is afgekomen, terwijl verdachte zich naar achteren heeft bewogen tot hij klem kwam te staan en geen kant meer op kon; [persoon A] bij zijn aanval een stroomstootwapen heeft gehanteerd en heeft getracht verdachte daarmee te raken en ten slotte dat verdachte de stekende bewegingen heeft gestaakt zodra hij bemerkte dat de kracht van zijn belager afnam. Gelet op het hiervoor overwogene is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat verdachte bij zijn handelen is gebleven binnen de grenzen van noodweer; niet kan worden geoordeeld dat de wijze van verdedigen niet in een redelijke verhouding zou hebben gestaan met de ernst van het gevaar van de aanranding en dat verdachte het mes niet op deze wijze had mogen gebruiken om zich tegen deze aanranding van zijn lijf te verdedigen en de aanval af te wenden. De rechtbank honoreert het beroep op noodweer en acht dientengevolge het primair bewezen verklaarde niet strafbaar. De verdachte zal ter zake van het primair ten laste gelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging."(2)

3.2. Rechtvaardigingsgrond: overmacht

Bij overmacht moet er sprake zijn van een noodtoestand: een acute noodsituatie waardoor en keuze gemaakt moet worden tussen het naleven van de wet of gehoor geven aan je maatschappelijke plicht. Bij het beoordelen of er sprake is van een noodtoestand, spelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit ook mee. Zo mag een opticien na winkelsluitingstijd een persoon helpen aan een nieuwe bril, als die zijn bril is kwijtgeraakt en daardoor in een hulpeloze toestand terecht is gekomen.(3)

3.3. Rechtvaardigingsgrond: het wettelijk voorschrift

Wat betreft punt 3, het wettelijke voorschrift, in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht staat: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.” Een deurwaarder bij voorbeeld die op last van de rechter iemands inboedel op straat zet hetgeen in strijd is met een plaatselijk verbod spullen aan de straat te zetten, gaat vrijuit.(4)

3.4. Rechtvaardigingsgrond: bevoegd gegeven ambtelijk bevel

Over deze rechtvaardigingsgrond staat in artikel 43, lid 1, Wetboek van Strafrecht: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag.”

4. Schuld

Als een gedraging valt binnen de grenzen van een wettelijke delictomschrijving, dan geldt niet alleen de vooronderstelling – zoals hierboven reeds aangegeven – dat die gedraging wederrechtelijk is, maar ook dat het gedrag verwijtbaar is. Net als bij de wederrechtelijkheid zijn er omstandigheden die deze vooronderstelling kunnen corrigeren. Bij wederrechtelijkheid gaat het om rechtvaardigingsgronden en bij schuld gaat het om zogeheten schulduitsluitingsgronden. Deze gronden zijn dadergebonden – het gaat specifiek om de reactie van de dader – zijn gedrag wordt bij schulduitsluitingsgronden niet gerechtvaardigd maar het verexcuseert de dader. De wet kent vier schulduitsluitingsgronden:
  • ontoerekenbaarheid;
  • (psychische) overmacht;
  • noodweerexces;
  • een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel.
.

De eerder genoemde aanvullende eisen van proportionaliteit, subsidiariteit, de Garantenstellung en de culpa in causa gelden ook bij de schulduitsluitingsgronden, zij het in mindere mate - uitgezonderd de culpa in causa.

4.1. Schulduitsluitingsgrond: ontoerekenbaarheid

Artikel 39 WvSr meldt: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.” Een stoornis als gevolg van excessief alcohol- of drugsgebruik levert geen schulduitsluitingsgrond op, in geval het de persoon te verwijten is dat hij in die toestand terecht is gekomen. Een persoon die uit vrije wil drugs gebruikt en in een paranoïde psychose terechtkomt en ten gevolge daarvan iemand neersteekt, hoeft niet te rekenen op ontoerekenbaarheid op grond van culpa in causa.(5)

Ontoerekenbaarheid sluit strafoplegging uit. Bij ontoerekenbaarheid wordt overgegaan tot het opleggen van een strafrechtelijke maatregel: plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of een terbeschikkingstelling (TBS). Bij gedeeltelijke ontoerekenbaarheid kan naast een strafrechtelijke maatregel ook een gevangenisstraf worden opgelegd. In dat geval wordt eerst de gevangenisstraf ten uitvoer gelegd.

4.2. Schulduitsluitingsgrond: psychische overmacht

De schulduitsluitingvariant van overmacht is psychische overmacht, zoals vastgelegd in artikel 40 WvSr: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.” Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden.

De situatie waarin iemand te horen krijgt dat hij moet helpen of assisteren bij de vervulling van een strafbaar feit omdat hem anders iets aangedaan wordt, is een klassiek voorbeeld van een psychische overmachtsituatie. Dat betrokkene in die situatie is terechtgekomen, moet hem evenwel niet verwijtbaar zijn. Een verdachte die ongeveer 13.023,7 gram cocaïne opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland bracht deed zonder succes een beroep op psychische overmacht. De verdachte had tijdens de zitting in hoger beroep aangevoerd dat hij zich genoodzaakt voelde om het feit te begaan omdat een man, genaamd Tony, hem in Brazilië liet zien dat hij in het bezit was van een foto met daarop afgebeeld de verdachte en zijn kinderen; tegelijkertijd legde deze Tony een vuurwapen op tafel. Het hof overwoog het volgende:

  • “De verdachte heeft, blijkens zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, vrijwillig ingestemd met het verzoek van zijn contactpersoon in Groot-Brittannië om tegen betaling naar Brazilië te reizen teneinde daar geld af te leveren dat bestemd was om twee personen, die in verband met het smokkelen van drugs waren opgepakt, vrij te kopen. Vervolgens is de verdachte daadwerkelijk naar Brazilië gereisd en heeft hij het geld afgegeven. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich willens en wetens met de handel in drugs - en het daarbij behorende milieu - ingelaten en heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard te worden gedwongen ook andere aan drugs gerelateerde gedragingen - waaronder het smokkelen van cocaïne - te verrichten. Onder die omstandigheid komt hem geen beroep op psychische overmacht toe indien dit laatste zich inderdaad blijkt te hebben voorgedaan. Het beroep op psychische overmacht moet derhalve in dit geval reeds op die grond worden afgewezen.”(6)

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet het de verdachte ook niet aan te rekenen zijn dat hij zichzelf in een bepaalde toestand heeft gebracht van waaruit hij het strafbare feit heeft gepleegd. Een voorbeeld hiervan is de zaak van een man die zwaar onder invloed van alcohol en mogelijk eveneens van verdovende middelen het slachtoffer stak met een mes en zich beriep op psychische overmacht. De verdachte - die zich niets meer van het incident zei te herinneren - was volgens zijn raadsman als gevolg van het middelengebruik niet in staat geweest zijn wil te bepalen:

  • “Vast is komen te staan dat de verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten zwaar onder invloed van alcohol en mogelijk eveneens van verdovende middelen verkeerde. Hem kan worden aangerekend dat hij zich zelf in die toestand, waarin hij - getuige zijn uitlatingen - het slachtoffer kennelijk bewust heeft gestoken, heeft gebracht. Onder die omstandigheden komt hem een beroep op psychische overmacht niet toe.”(7)

Zelfintoxicatie wordt beschouwd als culpa in causa. Verdachte is verwijtbaar in een toestand van ziekelijke stoornis van zijn geestvermogen terechtgekomen.

In een andere zaak doodde een vrouw haar partner met een mes, nadat zij jarenlang stelselmatig door hem was geïntimideerd en gemaltraiteerd. Door haar verleden met seksueel misbruik en mishandelingen en het voortdurende agressieve gedrag van het slachtoffer en de dreiging die van hem uitging voor verdachte en haar ongeboren kind, is in toenemende mate de druk opgelopen totdat zij het op een gegeven ogenblik niet langer aan kon. Verdachte had zich jarenlang kunnen beheersen, maar op een dag 'liep het stuwmeer vol'. Zij beriep zich met succes op psychische overmacht:

  • “De rechtbank acht aannemelijk dat enerzijds aanhoudende intimidatie en geweldstoepassing door haar vriend en anderzijds haar geringe zelfbeeld en haar onvermogen om de relatie te beëindigen hebben geleid tot ernstig toenemende spanningen die de weerbaarheid van verdachte te boven gingen. Geoordeeld wordt dat de oplopende druk heeft geleid tot psychische drang waar verdachte geen weerstand aan heeft kunnen bieden. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.”(8)

4.3. Schulduitsluitingsgrond: noodweerexces

Noodweerexces staat omschreven in artikel 41, lid 2 WvSr: "Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt." Er moet sprake zijn van een noodweersituatie, waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging worden overschreden door gebruikmaking van excessief, buitenproportioneel geweld. Voorts moet er sprake zijn van een zogenaamde dubbele causaliteit:
  • er moet een oorzakelijk verband zijn tussen de aanranding en de hevige gemoedsbeweging;
  • er moet tevens een een oorzakelijk verband zijn tussen de hevige gemoedsbeweging en de overschrijding van de proportionaliteit en de subsidiariteit.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bepaald dat een hevige gemoedsbeweging niet alleen behoeft te zijn ontstaan door angst, vrees of radeloosheid maar dat ook woede, verontwaardiging of drift in beginsel verontschuldigend kunnen zijn.

In het onderhavige voorbeeld heeft de verdachte zijn echtgenote gedood en wordt zijn beroep op noodweer-exces gehonoreerd, gelet op de hevige gemoedsbeweging van verdachte die voortkwam uit de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer waarbij hun zoontje gevaar liep. Hierdoor heeft verdachte verontschuldigbaar de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden:

  • "Sinds enige maanden voor de fatale gebeurtenis op 28 januari 2007 liep de spanning in het huwelijk van [slachtoffer] en verdachte steeds verder op. Regelmatig waren er ruzies waarbij met name [slachtoffer] zeer heftig kon reageren. Verdachte en [slachtoffer] hebben op 28 januari 2007 tegen de avond ruzie gekregen en deze ruzie bleef voortduren. Deze ruzie ging onder andere over het meenemen van de kinderen door [slachtoffer] naar Cuba. Verdachte heeft geprobeerd zoveel mogelijk uit de buurt te blijven van [slachtoffer] en is steeds als zij hem opzocht, naar een andere verdieping gegaan dan die waar zij zich bevond. Op enig moment was verdachte op de benedenverdieping in de woonkamer, waar hij zijn jongste zoon [jongste zoon] van drie maanden oud probeerde te laten ophouden met huilen door hem op de arm te nemen. Hij liep met [jongste zoon] heen en weer door de woonkamer, ondertussen kijkend naar de televisie. Plotseling voelde verdachte iets tegen zijn linkerschouder en toen hij opzij keek zag hij [slachtoffer] staan met een mes in haar hand. Hiermee stak zij verdachte in zijn bovenarm. Vlak hierna voelde hij een ruk aan zijn jongste zoon en deze viel op de grond. Het volgende dat verdachte zich herinnert is dat hij met zijn arm om de hals/keel van [slachtoffer] geslagen in de woonkamer stond en dacht: “vasthouden, ik moet vasthouden”. De daarop volgende herinnering is dat [slachtoffer] op de grond lag en dat hij zich naast haar bevond en dat zij niet bewoog. Verdachte heeft geprobeerd te achterhalen of [slachtoffer] nog in leven was en is vervolgens naar buiten gerend en heeft om hulp geroepen."(9)

In deze casus werd een man veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf wegens moord. Zijn beroep op noodweerexces werd verworpen. Ofschoon er feitelijk sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding, was die reeds afgelopen op het moment dat verdachte tot schieten overging. Verdachte werd door het slachtoffer mishandeld en er werd gedreigd dat zijn woning in brand zou worden gestoken - de wederrechtelijke aanranding - waarna verdachte naar huis ging en een wapen ophaalde:

  • Verdachte is naar zijn woning gegaan en heeft daar een vuurwapen met munitie opgehaald. Bij het ophalen van het wapen heeft hij aan zijn partner gevraagd de politie te bellen en heeft hij ook de woorden gebezigd 'ik maak hem dood' of 'ik pak hem'. Hij is vervolgens de confrontatie met [slachtoffer] aangegaan en heeft vrijwel onmiddellijk driemaal gericht op het bovenlichaam van het slachtoffer geschoten.(10)

Er was geenszins sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op moment van handelen van de verdachte. Ogenblikkelijk betekent dat de aanranding niet gestaakt moet zijn op het moment dat verdachte zich verdedigt.

4.4. Schulduitsluitingsgrond: een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel

Deze schulduitsluitingsgrond staat vermeld in artikel 43, lid 2 WvSr: "Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op, tenzij het door de ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen de kring van zijn ondergeschiktheid was gelegen."

Afwezigheid Van Alle Schuld (AVAS)

Tot slot is er nog een buitenwettelijk schulduitsluitingsgrond, de Afwezigheid Van Alle Schuld (AVAS). In het klassieke Melk & Water-arrest uit 1916 introduceert de Hoge Raad der Nederlanden de leer van Afwezigheid Van Alle Schuld. Wat was het geval? Een melkboer had zijn melk aangelengd met water. Hij liet zijn knecht - zonder dat deze hiervan af wist - de met water aangelengde melk als volle melk verkopen. Hij handelde hiermee in strijd met een bepaling uit de Algemene Politieverordening van de gemeente Amsterdam. De knecht was niet op de hoogte van dit bedrog en derhalve kon hem niets verweten worden, zo oordeelde de Hoge Raad. De knecht werd niet bestraft vanwege de afwezigheid van alle schuld.(11)

AVAS heeft sindsdien een ontwikkeling doorgemaakt en valt thans uiteen in drie varianten:
  1. De feitelijke dwaling. De persoon dwaalde omdat hij afging op misleidende informatie van anderen waar hij redelijkerwijs op mocht vertrouwen. Iemand kan ook verontschuldigbaar dwalen ten aanzien van zijn inschatting omtrent de noodweer- of noodtoestandsituatie, de zogeheten 'putatieve strafuitsluitingsgronden'.
  2. De rechtsdwaling. Verschoonbaar dwalen ten aanzien van het recht. Iemand vertouwde met zijn handelswijze op het deskundige advies van een gezaghebbende instantie of persoon, doch hij was onjuist voorgelicht en overtrad de wet of een wettelijke voorschrift.
  3. Verontschuldigbare onmacht. Een persoon is in een verontschuldigbare onmachtige toestand geraakt en in die hoedanigheid een delict gepleegd.

Een voorbeeld van verontschuldigbare onmacht is het volgende voorbeeld van een verdachte die als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, over de weg reed en zich zodanig gedroeg dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvond. De verdachte reed de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomend verkeerd op en hij schepte een daar rijdende motorfiets die dientengevolge de dood vond. Rechtbank 's-Hertogenbosch oordeelde dat er sprake was van verontschuldigbare onmacht/afwezigheid van alle schuld:

  • Door een hevige hoestbui is verdachte kort flauwgevallen en kon hij niet meer functioneren zoals van een behoorlijk automobilist mag worden verwacht. Verdachte heeft hoestsyncope [flauwvallen tijdens het hoesten] niet voelen en ook niet hoeven te zien aankomen. Vrijspraak van het door aanmerkelijke schuld veroorzaken van een dodelijk verkeersongeluk. Ontslag van alle rechtsvervolging voor het veroorzaken van gevaar/hinder op de weg."(12)

Tot slot

Resumerend kunnen we stellen dat uit het bovenstaande is gebleken dat er sprake is van een strafbaar feit als:
  • er sprake is van een menselijke gedraging;
  • er wordt voldaan aan de delictsomschrijving;
  • er geen rechtvaardigingsgrond is, m.a.w. de daad is strafbaar; en
  • er geen schulduitsluitingsgrond is, m.a.w. de dader is strafbaar.



Lees ook:

Voetnoten:
  1. LJN: BG1769, Rechtbank Zwolle, 07/607268-08
  2. Ibid
  3. HR 15 oktober 1923, NJ 1923, 1329, Opticien
  4. HR 30 januari 1928, NJ 1928, 215, Deurwaarder
  5. HR 9 juni 1981, NJ 1983, 412, Culpa in causa
  6. LJN: AE0571, Gerechtshof Amsterdam, 23/002833-01
  7. LJN: AV3160, Gerechtshof 's-Gravenhage, 22/005445-05
  8. LJN: AV3055, Rechtbank Groningen, 18/670484-05
  9. LJN: BC0725, Rechtbank Amsterdam, 13/467075-07
  10. LJN: AO8240, Gerechtshof Arnhem, 21/001888-01
  11. Melk & Water-arrest: http://nl.wikipedia.org/wiki/Melk_%26_Water-arrest (voor de laatste keer geraadpleegd op 8 mei 2009)
  12. LJN: BG6091, Rechtbank 's-Hertogenbosch, 01/840221-08
© 2009 - 2014 Tartuffel, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
StrafuitsluitingsgrondenIn het Nederlandse strafrecht bestaan twee soorten strafuitsluitingsgronden. Een strafbaar feit is pas strafbaar als er…
Leerstukken: ontoerekenbaarheid & overmachtLeerstukken: ontoerekenbaarheid & overmachtOntoerekenbaarheid en overmacht zijn begrippen die een belangrijke rol spelen in het materiële strafrecht. In het Wetboe…
Zelfverdediging, strafbaar of niet?Zelfverdediging, strafbaar of niet?Je hoort het zo vaak op straat: “Als je ze zelf pakt dan wordt je nog gestraft ook.” Wat zijn de spelregels precies bij…
Rechtvaardigingsgronden bij onrechtmatige daadIndien er sprake is van een onrechtmatige daad op grond van 6:162 lid 2 zijn er nog een aantal rechtvaardigingsgronden d…
Begrippen: Recht voor verpleegkundigenIk heb alle begrippen van de hoofdstukken 4 t/m 14 uit het boek Recht voor verpleegkundigen uitgewerkt.
Bronnen en referenties
  • HR 15 oktober 1923, NJ 1923, 1329, Opticien
  • HR 30 januari 1928, NJ 1928, 215, Deurwaarder
  • HR 9 juni 1981, NJ 1983, 412, [I]Culpa in causa[/I]
  • http://www.rechtspraak.nl
  • J. de Hullu: Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht; 3e druk, 2006.
  • LJN: BG1769, Rechtbank Zwolle, 07/607268-08
  • LJN: AE0571, Gerechtshof Amsterdam, 23/002833-01
  • LJN: AV3160, Gerechtshof 's-Gravenhage, 22/005445-05
  • LJN: AV3055, Rechtbank Groningen, 18/670484-05
  • LJN: BC0725, Rechtbank Amsterdam, 13/467075-07
  • LJN: AO8240, Gerechtshof Arnhem, 21/001888-01
  • LJN: BG6091, Rechtbank 's-Hertogenbosch, 01/840221-08
  • Melk & Water-arrest: http://nl.wikipedia.org/wiki/Melk_%26_Water-arrest (voor de laatste keer geraadpleegd op 8 mei 2009)
  • S.L.J. Janssen & R. Malewicz: Strafrecht; BoomBasics, Den Haag, 2005.

Reageer op het artikel "Noodweer (exces), (psychische) overmacht, ontoerekenbaarheid"

Plaats een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Reactie

Arend Loomeijer, 13-07-2011 19:41 #1
Geachte mevrouw/mijnheer,

Mag ik u vragen om een advies?

Als rechtspersoon van mijn firma ben ik sinds 1997 in rechte als eisende partij tegen een concern in een kafkaesk dossier gemanupuleerd die zijn weerga niet kent, toedoen voorgaande aan intimidatie chantage het bedreiginegn mede rechtspersoon het pyschische mangelen niet kon lijden en ondernam in 2008 een seriueze poging tot zelfdoding.

Mijn huidige situatie zijn kafkaiaanse toestanden op raadselachtige wijze angstaanjagend, bedreigend aan uitlokking en opruien jegens mij. Kort gezegd.
Politie en Justitie is van voorgaande op hoogte gesteld.

Gaarne vereem ik van u een advies omdat ik op punt staat een zenuwarts te raadplegen.
In afwachting van u antwoord.
Met voorname,

Arend Loomeijer Reactie infoteur, 14-07-2011
Ik kan u hierin niet adviseren. U kunt zich denk ik beter wenden tot uw huisarts, mede gelet op uw eerdere poging tot zelfdoding.

Infoteur: Tartuffel
Rubriek: Zakelijk
Subrubriek: Juridisch
Bronnen en referenties: 14
Reacties: 1
Schrijf mee!