Zakelijk en Minister

Buitenlandse betrekkingen van de Belgische Staat

Vooral sinds de grondwetsherziening van 1993 zijn de gemeenschappen en gewesten op belangrijke wijze betrokken bij het buitenlands beleid. De regel is dat wie op het interne vlak voor iets bevoegd is, dat ook is naar het buitenland toe. Zo zijn de gewesten, die (binnenlands) bevoegd zijn voor de bescherming van het leefmilieu, bevoegd voor de betrekkingen met het buitenland in die sfeer.


Of dat kan gerealiseerd worden hangt natuurlijk in belangrijke mate af van de houding van de buitenlandse partners. Aanvankelijk was het buitenland zeer sceptisch, men kent op internationaal vlak dan ook slechts staten. Toemalig Vlaams minister-president Vanden Brande (CD&V) heeft destijds zijn best moeten doen om verdragen te kúnnen afsluiten. Sindsdien is er echter een sneeuwbaleffect opgetreden en hebben steeds meer staten de deelentiteiten als volwaardige gesprekspartner beschouwd. Meer zelfs, sommige andere staten zijn het Belgisch voorbeeld gevolgd en hebben ook verdragssluitende bevoegdheid aan hun deelstaten toegekend.

Met deze regeling is geen afbreuk gedaan aan art. 167 § 1, 1e GecGW dat stipuleert dat de koning de leiding heeft van de buitenlandse betrekkingen (lees: de federale minister van buitenlandse zaken). De diplomatische vertegenwoordiging (in consulaten etc) blijft een zaak van de federale overheid.

Buitenlandse betrekkingen is veel meer dan het sluiten van verdragen. Het is het bepalen van de houding tegenover de andere staten en de internationale organisaties.

Verdragen zijn rechtsbronnen, en dus moeten ze vermeld worden in de grondwet. Art. 167 GecGW heeft het voor de rest over het sluiten van verdragen. Daar gaat het niet over ‘sluiten’ sensu stricto, maar over het ganse proces van onderhandeling tot bekrachtiging. De bepaling is bedoeld om de bevoegdheid van de federale overheid en de gewest- en gemeenschapsoverheden vorm te geven.

1 Verdragen die uitsluitend betrekking hebben op federale bevoegdheden

Vb.: op het vlak van landsverdediging, justitie, sociale zaken, belastingen…
De onderhandelingen worden gevoerd namens de federale regering. Is er een akkoord over de tekst, dan wordt die namens de koning ondertekend door een minister of een ambassadeur.
De instemming van de federale wetgevende kamers is nodig. Dit is een verplicht bicamerale aangelegenheid, en de wetsvoorstellen of –ontwerpen dienen eerst in de senaat worden neergelegd.

2 Verdragen die uitsluitend betrekking hebben op gemeenschaps- of gewestbevoegdheden

De gemeenschappen en gewesten kunnen zelf zulke verdragen afsluiten. Het zijn de regeringen die daarvoor optreden.

De procedure wordt verder uitgewerkt in art. 81 § 1-4 BWHI. Merk dat dit uitsluitend gaat over verdragen die slechts betrekking hebben op gemeenschaps- of gewestmaterie.

De koning kan op elk ogenblik zeggen dat de onderhandelingen niet kunnen verdergaan, omwille van een nationaal belang dat zich ertegen verzet dat een bepaalde entiteit van de staat een verdrag afsluit.
Toen in Zuid-Africa het apartheidsregime nog van kracht was, gold er een internationale boycot tegen het land, waar ook België zijn steun aan verleende. In een dergelijke context is het strijdig met het nationaal belang dat een deelentiteit economische onderhandelingen zou aanvatten met het land.
Deze mogelijkheid werd waarschijnlijk nog nooit benut.

De teksten waar een akkoord over bereikt is worden namens de gemeenschap of het gewest (en dus niet namens de koning) ondertekend door het vertegenwoordiger. Het verdrag moet instemming krijgen van het betrokken gemeenschaps- of gewestparlement. Deze instemming krijgt de vorm van een decreet of ordonnantie.

3 Gemengde verdragen

Gemengde verdragen zijn verdragen die aangelegenheden regelen die betrekking hebben op de bevoegdheid van de federale overheid en een gemeenschaps- of gewestoverheid (andere combinaties zijn uiteraard altijd mogelijk). Vaak gaat het om multilaterale verdragen, vaak ook in het kader van internationale organisaties.

Art. 167 § 4 GecGW bepaalt dat de bijzonderewetgever moet regelen hoe deze verdragen tot stand moeten komen. De bijzonderewetgever heeft niet helemaal gedaan wat van hem verwacht werd. Art. 92bis § 4ter BWHI (het artikel over samenwerkingsakkoorden!) bepaalt dat de gemeenschap, het gewest en/of de federale overheid een samenwerkingsakkoord moeten sluiten over de gemengde verdragen.

Op 8 april 1994 kwam dat samenwerkingsakkoord tot stand (B.S. 17 december 1996). Het bepaalde onder meer wat volgt.
  • Alleen de federale regering kan het initiatief nemen om onderhandelingen te beginnen (eventueel wel op vraag van een deelentiteit).
  • De tekst moet ondertekend worden door een vertegenwoordiger van de federale overheid en een vertegenwoordiger van het gewest of de gemeenschap. Allen tekenen namens het Koninkrijk België.
  • Nadien is er instemming nodig van alle betrokken wetgevende kamers…

Vooral dat laatste kan zeer belastend zijn. Bijvoorbeeld, voor het verdrag betreffende vaststelling van een grondwet voor Europa is goedkeuring nodig van volgende negen (!!!) parlementen:
  • Senaat
  • Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Vlaams Parlement
  • Waals Parlement
  • Parlement van de Franstalige Gemeenschap
  • Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Raad van de Duitstalige Gemeenschap
  • De GGC
  • De Cocof (die bepaalde bevoegdheden van de Franse Gemeenschap geërfd heeft)
© 2007 - 2009 Guggenheimer, gepubliceerd in Zakelijk (Zakelijk) op 05-01-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Guggenheimer is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Buitenlandse betrekkingen van de Belgische Staat"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.