
Vruchtgebruik: voor vruchtgebruik vatbare zaken
Een cruciale vraag bij het vruchtgebruik is welke zaken ervoor vatbaar zijn. In dit artikel worden deze vraag beantwoord. Het artikel kadert in een special waarin steeds de vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie in België en die in Nederland.
Algemeen
Het vruchtgebruik kan worden gevestigd op alle soorten roerende of onroerende goederen. Het kan zowel slaan op lichamelijke zaken als op zakelijke rechten. Als we art. 581 B.W. samen met art. 578 B.W. lezen, is er een probleem voor het vestigen van vruchtgebruik op verbruikbare zaken. Om dit probleem op te lossen is men gekomen tot oneigenlijk vruchtgebruikOneigenlijk vruchtgebruik
Als we spreken over oneigenlijk vruchtgebruik, dan spreken we over het vestigen van vruchtgebruik op verbruikbare goederen. Het verschil met eigenlijk vruchtgebruik is dat enerzijds de gebruiks- en genotsbevoegdheid, die toekomt aan de vruchtgebruiker, en anderzijds de beschikkingsbevoegdheid, die toekomt aan de blote eigenaar, bij verbruikbare zaken niet uit elkaar kunnen worden gehaald. De verbruikbare zaken zijn zaken die door het eerste gebruik ervan tenietgaan, waar het gebruik aldus vanaf het eerste moment de beschikking tot gevolg heeft. Eigendom en beschikkingsbevoegdheid zijn inherent met elkaar verbonden, waardoor men de vruchtgebruiker van verbruikbare zaken als eigenaar moet beschouwen.Sommigen vinden dat quasi-eigenaar een beter begrip zou zijn. Deze laatste strekking spreekt van een bijna volledige beschikkings- en vervreemdings-bevoegdheid van de vruchtgebruiker. Zij leggen de nadruk op de gebondenheid door de beperking van het doelgebonden beheer, gelet op de restitutieplicht. Zijn recht is dus niet zo absoluut en onbeperkt als een echte volle eigenaar, vandaar dat men in deze strekking dan ook spreekt van een quasi-eigenaar.
De strekking die deze redenering weerlegt en dus wel degelijk van eigenaar spreekt, doet dit aan de hand van het argument dat het volstaat dat de vruchtgebruiker zijn teruggaveplicht nakomt. Deze laatste strekking ziet dan ook niet in welke beperkingen aan het beheer van de oneigenlijke vruchtgebruiker kunnen worden opgelegd. Verder merken zij op dat de vervallenverklaring van artikel 618 BW (zie infra VIII.4) niet van toepassing zou zijn op quasi-vruchtgebruik.
Op basis van art. 578 B.W. moeten de zaken die in vruchtgebruik gegeven worden in stand gehouden worden. Maar het typische aan verbruikbare zaken, is dat bij het gewone gebruik van deze zaken, deze teniet gaan (verbruikt worden).
Op deze goederen is een klassiek vruchtgebruik niet te vestigen en men is gekomen tot een systeem van oneigenlijk vruchtgebruik. Dit houdt in dat de vruchtgebruiker op het einde van zijn recht een gelijke hoeveelheid zaken van dezelfde hoedanigheid en waarde of geschatte waarde moet teruggeven. Deze regeling i.v.m. oneigenlijk vruchtgebruik kennen ze in Nederland, sinds 1992, niet meer. Dit gezien in Nederland alle individueel bepaalde roerende en onroerende zaken of rechten, alsmede een algemeenheid van goederen als object van vruchtgebruik gezien worden. Hierdoor maakt het niet meer uit of het al dan niet verbruikbare, verslijtbare of vervangbare zaken betreft.
Verbruikbare zaken vallen in België automatisch onder oneigenlijk vruchtgebruik of ook quasi-usufructus genoemd. Men kan echter ook bedingen dat de niet- verbruikbare zaken onder het oneigenlijk vruchtgebruik vallen. Bij het oneigenlijk vruchtgebruik, wordt de quasi-vruchtgebruiker eigenaar van de goederen. Over deze goederen kan hij dan ook beschikken als een volle eigenaar. Zo verliest de naakte eigenaar zijn zakelijke vordering en wordt hij een gewone schuldeiser. Hij krijgt wel een schuldvordering t.a.v. de oneigenlijke vruchtgebruiker. Het oneigenlijk vrucht-gebruik heeft echter ook negatieve consequenties voor de voormalige eigenaar. Hij zal zich moeten onderwerpen aan de pondspondsgewijze verdeling in geval van samenloop. Hij is met andere woorden zijn zakelijk recht kwijt. Aan de andere kant moet de vruchtgebruiker instaan voor het tenietgaan van de zaken. Dit op basis van het beginsel “genera non pereunt”. © 2007 - 2009 Guggenheimer, gepubliceerd in Juridisch (Zakelijk) op 08-10-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Guggenheimer is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...
Verwante artikelen
- Vruchtgebruik: relatie vruchtgebruiker - naakte eigenaar: De relatie tussen een vruchtgebruiker en de naakte eigenaar is fragiel, mede door de vaak voorkomende simulatie waarbij men een huur wil laten doorga…
- Vruchtgebruik: essentiële kenmerken: In dit artikel worden de essentiële kenmerken belicht van het vruchtgebruik. Bijzondere aandacht is er voor de verschillen tussen het Nederlands en het Belgisch vruchtgeb…
- Vruchtgebruik: ontstaan: Dit is een special die het Nederlands en Belgisch vruchtgebruik vergelijkt. In dit artikel wordt meer bepaald het ontstaan van het vruchtgebruik belicht.
- Vruchtgebruik: einde van de rechtsfiguur: Dit artikel behandelt de oorzaken die het einde van het vruchtgebruik tot gevolg hebben. Het belicht, net als de andere artikelen in deze special, de verschillen met…
- Vruchtgebruik: algemeen: In deze special worden de verschillen benadrukt tussen vruchtgebruik in België en in Nederland. In eerste instantie wordt in dit artikel een aantal eerste begrippen uitgelegd.

Reageer op het artikel "Vruchtgebruik: voor vruchtgebruik vatbare zaken"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.

