InfoNu.nl > Zakelijk > Juridisch > Gelijkheid en non-discriminatie

Gelijkheid en non-discriminatie

Gelijkheid en non-discriminatie Bespreking over het belangrijke leerstuk over gelijkheid en non-discriminatie in het Belgisch en Europees recht, namelijk het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en het Internationaal Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten. In het bijzonder wordt de grote betekenis van artn. 10-11 GW in de rechtspraak van het Belgische Arbitragehof belicht.

1 Erkenning van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie

Van oudsher werden deze rechten als uiterst belangrijk beschouwd. Het EVRM vermeldt het verbod van discriminatie in art. 14. Het IVBPR voegt in art. 2, §1 eenzelfde verbod in, en voegt daaraan toe art. 26: het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel wordt met zeer ruime reikwijdte gehuldigd. Het legt aan de overheid de verplichting op om de burgers gelijk te behandelen, op gelijk welk vlak. Alle rechten én plichten die opgelegd worden, kunnen aan deze beginselen worden getoetst.

Art. 14 EVRM en art. 2, §1 IVBPR hebben een veel beperktere reikwijdte: ze houden een verbod van discriminatie in voor wat betreft de grondrechten die aldaar vermeld worden.
Ze leggen dus aan de overheid een positieve verplichting op: de beperkingen van de grondrechten mogen niet discriminerend opgelegd worden.
Het 12de protocol bij het EVRM wil het gelijkheidsbeginsel in het algemeen vastleggen, maar het werd door een aantal staten, waaronder België, nog niet bekrachtigd.

In de grondwet zijn deze zaken van een immens belang. Ze komen voor in Titel II, meer bepaald in de artikelen 10, 11 en 11bis. Het art. 10 poneert het beginsel van gelijkheid, art. 11, eerste zin stelt het discriminatieverbod in voor wat betreft de rechten van de Belgen. De artikels 10 en 11 drukken de facto hetzelfde uit, het zijn twee keerzijden van dezelfde me-daille. Het gelijkheidsbeginsel legt misschien wat meer de nadruk op de positieve verplichtingen, terwijl het non-discriminatiebeginsel wat meer nadruk legt op de negatieve verplichtingen.

De artikelen 10 en 11 GecGW hebben een zeer groot belang gekregen omdat het Arbitragehof sinds 1989 er wetten, decreten en ordonnanties kan aan toetsen. De artikelen werden door de opstellers van de grondwet niet als zo belangrijk beschouwd, maar de rechtspraak van het Arbitragehof heeft ze tot zeer belangrijk verheven.

2 De draagwijdte van de grondwetsartikelen 10 en 11

Dit zijn algemene bepalingen, ze hebben een reikwijdte, toepassingsgebied dat niet beperkt is tot de rechten van Titel II. Ze hebben betrekking op alle rechten, uit de grondwet zowel als uit internationale verdragen, gewone wetten en decreten etc. Ze gelden dus ook voor de verplichtingen door wetgevers etc. opgelegd.

Wat zijn de criteria om uit te maken of er een schending voorligt?
Het Arbitragehof had haar rechtspraak ab initio afgestemd op die van het EHRM, wat betreft het art. 14 EVRM.
Gelijkheid staat niet gelijk aan een verbod van onderscheid; legt geen identieke behandeling op. Het betekent alleen dat elk verschil in behandeling redelijk verantwoord moet (kunnen) worden.
Een verantwoording is redelijk als aan twee vereisten voldaan is:
Onderscheiden o.b.v. een objectief criterium, niet o.b.v. iets wat afhangt van een arbitraire beoordeling.
De onderscheiding moet verantwoord zijn in het licht van het doel en de gevolgen. Er moet m.a.w. een evenredigheidsverband zijn tussen het nagestreefde doel en de aangewende middelen. Er mag geen al te grote last op de benadeelde categorie van personen rusten.

Daar komt nog iets bij wat eigen is aan het Arbitragehof, en eigenlijk aan België, en gesteund wordt op de vroegere rechtspraak van het Hof van Cassatie.
Het Arbitragehof heeft altijd geoordeeld dat een redelijke verantwoording pas kan geboden worden, indien de nadelige regeling zelf niet strijdig is met een hogere norm.
Wanneer er dus een verschil is in de regels voor twee categorieën, dan kan de onderscheiding niet redelijk verantwoord zijn als de benadeelde categorie onder een regeling valt die strijdig is met een hogere norm. Met andere woorden, wat onwettig is, is niet verant-woordbaar. Op deze manier kan men toetsen aan internationale verdragen, de (ganse) nationale grondwet en de algemene rechtsbeginselen met constitutionele draagwijdte.
Op het eerste zicht lijkt deze redenering zeer logisch, pas op het tweede zicht geeft ze blijk van een zeer grote creativiteit vanwege het Arbitragehof:

Dit betekent namelijk dat het Arbitragehof indirect (d.i. langs de omweg van artn. 10 en 11 GecGW) wetten, decreten en verordeningen aan (o.a.) internationale verdragen kan en mag toetsen. In de praktijk gebeurt dit zelfs zeer vaak.

Een voorbeeld van een toetsing via de artn. 10 en 11 GecGW aan een internationaal verdrag (i.c. het EG-verdrag) waarvoor het Arbitragehof normaal niet bevoegd is, biedt het arrest 5/2004 van het Arbitragehof. Het gaat over de wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie (de opvolger van het bestaansminimum). De OCMW’s komen tussen in het loon, zoeken samen met de werkloze naar een job enz. Het kan (volgens de bestreden wet) zijn diensten aanbieden aan Belgen en aan bepaalde categorieën van vreemdelingen, meer bepaald: onderdanen van een EU-lidstaat die regelmatig en al een tijdje in België verblijven, en voor zover ze onder toepassing vallen van een Europese verordening betreffende immigrerende werknemers. Precies dat verschil in behandeling was voorwerp van betwisting.
Het Europees Hof van Justitie had reeds geoordeeld dat men artn. 13 en 17 van het EG-verdrag schendt als men onderscheidt o.b.v. die verordening. Het Arbitragehof is die redenering bijgetreden, en stelde dat die wet strijdig was met artn. 13 en 17 EG-verdrag, echter via artn. 10 en 11 GecGW.

3 Wetgeving ter bestrijding van discriminatie

Het recht legt aan de overheid een positieve verplichting op, namelijk het nemen van initiatieven tegen discriminatie, zoals de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie, bij het stellen van bepaalde handelingen door particulieren en door de overheid. Het is onbetwistbaar dat er ook een plicht is voor de burgers, dat dus aan deze initiatieven van wetgeving ook horizontale werking moet worden toegekend.
Aan de wet is er ook een strafrechterlijk luik waarin aanzetten tot discriminatie, haat en geweld tegen bepaalde groepen (o.b.v. bepaalde kenmerken) strafbaar wordt gesteld.

De wet van 25 februari 2003 is aangevochten bij het Arbitragehof, en met succes. Bepaalde zinsneden van de wet zijn vernietigd, waardoor de wet eigenlijk een nog breder toepassingsveld heeft gekregen.

4 Bijzondere regeling inzake de gelijkheid van man en vrouw

In feite vloeit ook die gelijkheid voort uit de wet van 25 februari 2003. Maar, zowel in de grondwetten als in de internationale bepalingen wordt deze gelijkheid altijd speciaal benadrukt.
In 2002 is er een nieuw lid toegevoegd aan art. 10 GecGW en is er een nieuw art. 11bis GecGW gekomen. Dit nieuwe art. 11bis GecGW stelt dat elke overheid de uitdrukkelijke verplichting krijgt opgelegd om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen. De grondwetgever bepaalde dat in een aantal met naam genoemde uitvoerende politieke orga-nen minstens één persoon van elk geslacht moet zitten. In de federale regering is dat “quotum” lachwekkend: daar gaat het om één persoon op de vijftien. Maar in de regering van Duitstalige gemeenschap is dit al heel wat minder het geval: daar gaat het om één persoon op drie.
© 2006 - 2014 Guggenheimer, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
De Grondwet - GrondrechtenDe Grondwet - GrondrechtenIedere burger in onze samenleving heeft onvervreemdbare rechten. Grondrechten zijn de rechten die een ieder toekomen die…
Discriminatie – opoffering discriminatieverbodIn Artikel 1 van de Nederlandse grondwet is te lezen dat discriminatie verboden is. ‘Allen die zich in Nederland bevinde…
Discriminatie – soorten en betekenisDiscriminatie – soorten en betekenisDiscriminatie is iets dat de afgelopen tijd veelvuldig in de media is. De politiek in Den Haag houdt zich er dagelijks m…
Haatzaaien, een moeizaam begripHaatzaaien, een moeizaam begripTijdens het proces tegen Geert Wilders is het begrip haatzaaien weer boven komen drijven. De nationale en internationale…
Discriminatie in NederlandDiscriminatie in NederlandOndanks de grondwet bevinden verschillende groepen (met name allochtonen) zich in een achterstandspositie. Hierdoor onts…

Reageer op het artikel "Gelijkheid en non-discriminatie"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Guggenheimer
Rubriek: Zakelijk
Subrubriek: Juridisch
Schrijf mee!