Juridisch en Vrijheid

Vrijheid van Onderwijs in het EVRM

Summiere bespreking over de positie van de vrijheid van onderwijs in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en de bijzondere positie van België in deze discussie.


1 Algemeen

De vrijheid van onderwijs omvat drie aspecten
  • De vrijheid van onderwijs stricto sensu
  • Het recht op onderwijs
  • Eerbiediging van ideologische, filosofische en godsdienstige opvattingen van de kinderen

1.1 Stricto sensu: de vrijheid van onderwijs
Relevante artikelen:
  • Art. 24, 1° GecGW
  • Art. 2 van het eerste protocol aan het EVRM

Het betreft de vrijheid om onderwijs te mogen verstrekken én de vrijheid om onderwijs te volgen. Men heeft de vrije keuze binnen het aanbod van onderwijsinstellingen, en men heeft het recht op toegang tot de bestaande onderwijsinstellingen.

1.2 Het recht op onderwijs
Het betreft het recht van eenieder om onderwijs te krijgen. Het is ook het recht om onderwijs te mogen inrichten. De overheid heeft hier dus een positieve verplichting om onderwijs mogelijk te maken. Ze kan dit ofwel door subsidiëringen, ofwel door het zelf verstrekken van onderwijs.
Dit is een duidelijk voorbeeld van een sociaal-economisch recht, en het wordt dan ook gewaarborgd in het IVESCR, meer bepaald in de artikelen 13 en 14. Daarnaast staat het in art. 24, 3° GecGW.

1.3 Eerbiediging van ideologische, filosofische en godsdienstige opvattingen van de kinderen
Het onderwijs is bij uitstek een vehikel waarmee de bevolking kan geïndoctrineerd worden. Daarom mogen er via het onderwijs absoluut geen ideologische, filosofische of godsdienstige opvattingen opgelegd worden.
Dit probleem stelt zich bij de keuze tussen lessen godsdienst en lessen zedenleer. In het officieel onderwijs moet men de keuze krijgen tussen de erkende godsdiensten en zedenleer. Indien men zich hiervan wil onttrekken, moet men voor deze vakken vrijgesteld worden.

Relevante artikelen:
  • Art. 2 van het eerste protocol aan het EVRM
  • Art. 24, §1, 3° en 4° GecGW

2 Bijzondere kenmerken volgens de Belgische grondwet

De reden waarom er bijzondere bepalingen rond deze materie opgenomen zijn in de Belgische grondwet, moet men zoeken in de Belgische politiek-historische context. Het onderwijs is in België altijd een zeer gevoelig thema geweest, en onder andere voorwerp van een heuse onderwijsstrijd.

Vroeger (d.i. in de unitaire staat België) was het onderwijs de bevoegdheid van de nationale overheid. Sinds de federalisering is deze materie vrijwel volledig overgeheveld naar de gemeenschappen.

In Vlaanderen is er steeds een zeer sterk katholiek onderwijsnet geweest, en een eerder zwak net van staatsonderwijs. In Wallonië is dat traditionelerwijze omgekeerd. De invloed van de christen-democratische partij heeft overigens altijd eenzelfde contradictie vertoond.

Zolang het onderwijs unitair geregeld werd, kon men werken met een compromistekst. Zodra het onderwijs behoorde tot de bevoegdheden van de gemeenschappen, bestond het risico dat de netten die in de respectievelijke gemeenschappen in de minderheid waren, in de verdrukking zouden komen. Daartegen moest men dus noodgedwongen een aantal waarborgen inbouwen. Om die redenen zijn er een aantal bijzondere bepalingen opgenomen in art. 24 GecGW.

De vierde paragraaf van dat artikel poneert de gelijkheid in onderwijszaken. Alle leerlingen of studenten, alle ouders en onderwijspersoneel zijn gelijk voor de wet of het decreet. Men kan zich vragen stellen bij de noodzaak van deze paragraaf, in het licht van het gelijkheidsbeginsel dat in algemene bewoordingen is opgenomen in artikelen 10 en 11 van de grondwet. Men heeft er echter voor gekozen om de gelijkheid van het gemeenschaps-onderwijs en het vrije onderwijs op die manier te beklemtonen. We dienen op te merken dat gelijkheid geen identiteit onderstelt. Het is alleen zo dat elk verschil in behandeling moet verantwoord worden. De wetgever verwoordt alle mogelijke verantwoordingen expliciet. Het officieel onderwijs, bijvoorbeeld, heeft een ruimere taak. Zij kan niet zomaar mensen weigeren. Dit resulteert in een moeilijker publiek wat ervoor zorgt dat het verantwoord is aan het officieel onderwijs meer middelen toe te kennen.

De vijfde paragraaf van dat artikel stelt dat de subsidiëring door de gemeenschap van het onderwijs dient te gebeuren bij wet of decreet. Deze paragraaf heeft tot gevolg dat heel wat technische details, waarvan men normaal verwacht dat zij door de uitvoerende macht worden geregeld, door de wetgevende vergadering moeten worden geregeld. Wat betreft het onderwijs moeten de zaken uitgevochten worden door het parlementair debat.
Een voorbeeld van zo’n parlementair debat, is het aannemen van de bepalingen van de eindtermen voor het lager en middelbaar onderwijs. Een aantal zaken worden eruit gelicht (zoals de geschiedenis van het TAC, en of men wel of niet moet kunnen zwemmen aan het eind van het secundair onderwijs) en zijn voorwerp van een debat; maar voor de rest worden dergelijke zaken vrijwel altijd zonder veel debat goedgekeurd.

Vanaf 1989 is er een bijzondere controle voorzien. Het Arbitragehof werd dan bevoegd verklaard om alle wetten en decreten te toetsen aan de artn. 10, 11 én 24 GecGW. Ook die bijzondere bescherming heeft te maken met het splitsen van de onderwijsbevoegdheid. Door het wegvallen van het onderwijspactcomité moest er een andere controle-instantie in de plaats komen. Dat werd dan het Arbitragehof, dat er moest op toezien dat de minderheidsnetten door de gemeenschappen niet benadeeld zouden worden.
© 2006 - 2009 Guggenheimer, gepubliceerd in Juridisch (Zakelijk) op 07-12-2006. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Guggenheimer is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Vrijheid van Onderwijs in het EVRM"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.