Juridisch en Gelijkheid

Abstracte en concrete normencontrole voor het Arbitragehof

Abstracte en concrete normencontrole voor het Arbitragehof

Het Belgische Arbitragehof is opgericht in 1989 en heeft zich ontpopt tot een van de top-drie rechtscolleges in ons land (naast het Hof van Cassatie en de Raad van State. Een bespreking kan dan ook niet uitblijven.


De abstracte normencontrole slaat op het beroep tot nietigverklaring. De concrete normencontrole verwijst naar de prejudiciële vraag.

Volgende personen kunnen zich richten tot het Hof:
  • Overheden
  • Ieder belanghebbende
  • Een ander Hof of een andere rechtbank
De eerste twee kunnen in het geval van een beroep tot nietigverklaring, de derde in het geval van een prejudiciële vraag.

1 Beroepen tot nietigverklaring

Artn. 1-25 BWA
Het Hof toetst op een abstracte manier aan hogere normen.

Oorspronkelijk konden slechts bepaalde overheden een beroep tot nietigverklaring bij het Hof instellen (meer bepaald regeringen en voorzitters van betrokken parlementen), sinds 2003 kan dit door iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang.

In functie van de rechtszekerheid zijn de beroepen aan een termijn verbonden. Ze dienen te worden ingesteld voor het verstrijken van een periode van zes maand vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

In haar arrest kan het Hof twee soorten beslissingen nemen:
  • In geval van een verwerping heeft het Hof beslist dat de bepalingen de grondwet niet schenden, al dan niet in een bepaalde interpretatie. Deze uitspraak is bindend voor alle rechtscolleges! Een arrest van het Arbitragehof heeft een absoluut gezag van gewijsde, elk rechtscollege moet zich aan dit arrest houden. Aan het rechtscollege dat het er niet mee eens is, staat slechts de mogelijkheid tot prejudiciële vraag open.
  • Ook in geval van een vernietiging heeft het arrest een absoluut gezag van gewijsde. De bestreden norm verdwijnt ex tunc uit de rechtsorde. Met andere woorden, wat in het verleden gebeurd is op basis van de vernietigde wet moet ongedaan gemaakt worden. Het Hof kan evenwel deze gevolgen milderen door te beslissen dat toch niet alles ongedaan te maken, ze kan zelfs beslissen voor de toekomst de regeling strijdig met de grondwet te behouden (evenwel voor een beperkte periode).

In het kader van een beroep tot nietigverklaring is een vordering tot schorsing mogelijk, indien de verzoeker al heel erge schade lijdt wanneer de kwestie aanhangig gemaakt wordt bij het Hof. Het Hof hanteert hiervoor evenwel volgende (strenge) voorwaarden:
  • De verzoeker moet in zijn annulatieberoep ernstige middelen aanvoeren (dit duidt op een marginale toetsing)
  • De verzoeker moet ten gevolge van de bestreden wet een ernstig, moeilijk te herstellen nadeel lijden. Vuistregel is dat een financieel nadeel altijd a posteriori te vergoeden is…

2 Prejudiciële vragen

Art. 26 BWA e.v.
Het Hof toetst in een concreet geval aan hogere normen: het gebeurt in een concreet geschil, het Hof is op de hoogte van de concrete moeilijkheid. De toetsing zelf blijft evenwel zeer algemeen en abstract. De concrete toetsing in het concrete geschil gebeurt door de bodemrechter.

2.1 Voorwerp van een prejudiciële vraag
Art. 26 BWA is op een bijzondere manier geredigeerd: de eerste paragraaf somt drie soorten prejudiciële vragen op die aan het Arbitragehof kunnen worden voorgelegd:
  • Is de wetgever binnen de grenzen van zijn bevoegdheid gebleven?
De theoretische mogelijkheid van een conflict tussen twee wetten, decreten of ordonnanties, uitgaande van de hypothese dat beide normen conform de bevoegd-heidsverdelende regels genomen zijn, en dat beide van kracht zijn op dezelfde situatie. Deze vraag kan uiteraard niet aan een gewone rechter gesteld worden, dergelijke kwesties zijn voer voor het Arbitragehof. Deze mogelijkheid dateert van voor de rechtspraak van het Arbitragehof over exclusieve bevoegdheden. Het Arbitragehof stelt dat het niet kan dat twee normen van verschillende overheden op dezelfde aangelegenheid van kracht zijn: in geval van conflict wordt dat niet opgelost door een voorrang of hiërarchie uit te spreken, maar door te bepalen welke overheid zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. Zolang die rechtspraak niet gewijzigd wrodt, kan deze mogelijkheid niet relevant worden.
  • Is deze wet – decreet – ordonnantie niet strijdig met een bepaling van Titel II GecGW?

2.2 Instanties die een prejudiciële vraag kunnen / moeten stellen
Een prejudiciële vraag is een vraag die in essentie alleen door een rechtscollege kan gesteld worden, en het is het rechtscollege die de vraag opstelt. De partijen kunnen natuurlijk altijd een suggestie doen. Is die mogelijkheid voor die rechtscolleges verplicht of facultatief?

In beginsel is elk rechtscollege verplicht een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof wanneer de vraag reist of een wet verenigbaar is met de grondwet. De vraag kan aangewezen worden door de partijen of door het college ambtshalve. Op dit beginsel zijn er evenwel een aantal uitzonderingen.

2.2.1 Uitzonderingen die gelden voor alle rechtscolleges
Dit zijn de uitzonderingen waarop alle rechtscolleges zich kunnen beroepen. De onderliggende filosofie blijft evenwel dat het Arbitragehof er is om de wetgever op de vingers te tikken, en niemand anders!

  • Wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid van het Hof of onontvankelijkheid van de klacht (tenzij natuurlijk de bevoegdheidsregels zelf ter discussie staan en voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaken).
  • Wanneer het Arbitragehof al uitspraak heeft gedaan over een prejudiciële vraag met hetzelfde voorwerp. Het Hof is dan niet verplicht de vraag opnieuw te stellen, in zoverre zij het Hof volgt. Zij kan evenwel altijd de vraag stellen en zo een nieuwe, afwijkende rechtspraak trachten uit te lokken.
  • In geval van bepaalde dringende zaken:
    • In geval van een procedure waarbij aan de rechter een voorlopige uitspraak werd gevraagd (kortgeding bij gewone rechter of administratief kortgeding bij de Raad van State)
    • In geval waarbij een onderzoeksgerecht moet uitspraak doen over een voorlopige hechtenis
  • Deze laatste is evenwel nooit een absolute vrijstelling: wanneer er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de wet met de grondwet moet het rechtscollege toch de prejudiciële vraag stellen. Dit betekent dat de rechter in deze gevallen tijdens de procedure kan beslissen tot verenigbaarheid, maar niet tot onverenigbaarheid.

2.2.2 Uitzonderingen die gelden voor alle feitenrechters
Deze uitzonderingen kunnen dus niet door de Raad van State of door het Hof van Cassatie ingeroepen worden. De logica is simpel: alle andere rechters kunnen het wel, omdat er tegen hun beslissingen altijd nog beroep mogelijk is. In geval van een uitspraak van de Raad van State of van het Hof van Cassatie is dat niet het geval.

Voor al die (andere) rechtscolleges geldt dat zij de prejudiciële vraag niet moeten stellen, als klaarblijkelijk blijkt dat de wet de grondwet niet schendt, of wanneer de vraag niet onontbeerlijk is om over de grond van de zaak uitspraak te doen.
De regel van het ‘klaarblijkelijk schenden’ komt van het Europees Recht: soms moet een nationale rechter een prejudiciële vraag stellen aan het Europees Hof voor Justitie. Dat is evenwel niet verplicht als het antwoord heel duidelijk is.

Een toepassing van het tweede geval: een partij roept in een concreet geschil een bepaalde wet in, de tweede partij werpt de ongrondwettelijkheid op. De rechter kan besluiten de prejudiciële vraag niet te stellen als hij oordeelt dat de wet toch niet van toepassing zou zijn in casu.

Het Hof van Cassatie (en in mindere mate de Raad van State) is zeer creatief in het opzetten van constructies om toch geen vraag te moeten stellen aan het Arbitragehof. Een voorbeeld is het Vlaams Blok-arrest.

2.3 Grenzen van het geschil voor het Arbitragehof
Het prejudicieel geschil is begrensd, het is ontstaan in een ander geschil (van burger-rechtelijke, strafrechtelijke, fiscaalrechtelijke… aard).

De rechter formuleert de vraag, eventueel op suggestie van één van de partijen, en het Hof beslist over die vraag. Het Hof mag evenwel de vraag zelf herformuleren en op basis van de anders geformuleerde vraag haar onderzoek voeren.

2.4 Het arrest
Art. 28 BWA
Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld (en andere rechtscolleges op die zaak: beroep- of cassatierechters) moeten zich voegen naar het arrest van het Arbitragehof.

Wanneer andere rechters in andere zaken geconfronteerd worden met dezelfde vraag, staat het hen vrij zich bij het arrest van het Hof neer te leggen.

Met andere woorden, het gezag van de arresten strekt zich uit tot alle rechters.
© 2006 - 2009 Guggenheimer, gepubliceerd in Juridisch (Zakelijk) op 27-12-2006. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Guggenheimer is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Abstracte en concrete normencontrole voor het Arbitragehof"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.