Betrouwbaarheid van ooggetuige identificatie

Het rechtssysteem leunt sterk op ooggetuige identificaties. In hoeverre deze identificaties betrouwbaar zijn wordt vaak afgeleid uit de mate van zekerheid van de ooggetuige. Dit verslag gaat in op de relatie tussen de zekerheid en de nauwkeurigheid van een ooggetuige bij het identificeren van een dader in een ‘lineup’. Daarnaast wordt gekeken welke rol verbale en non-verbale ‘feedback’ hierbij spelen.

Inleiding

In de rechtspraak speelt ooggetuige identificatie een belangrijke rol bij het onderzoeken en vervolgen van misdaden. Ooggetuige identificatie is vaak het voornaamste bewijs tegen een verdachte. Helaas is dit ook de meest voorkomende oorzaak van verkeerde veroordeling (Huff, Rattner, & Sagarin, 1998). Dit probleem wordt vaak verergerd door een te hoog vertrouwen in de identificatie. Politieagenten zijn, net zoals de meeste mensen, namelijk eerder overtuigd door iemand die zeker is van zijn identificatie dan iemand die dit niet is. Dit is te begrijpen aangezien er vanuit wordt gegaan dat deze zekerheid voortkomt uit het daadwerkelijke geheugen. Uit verschillend onderzoek blijkt dat zekerheid matig correleert met accuraatheid van de ooggetuige identificatie (Sporer, Penrod, Read & Cutler, 1995; Wells and Murray, 1984). Deze correlatie zou sterker kunnen worden als gekeken wordt naar factoren die de zekerheid van ooggetuigen eventueel zouden kunnen beïnvloeden. De te bespreken onderzoeken richten zich hier op. In de besproken onderzoeken wordt gekeken of het mogelijk is de correlatie te verbeteren door verschillende omstandigheden te creëren.

Bij het bestuderen van de omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op de correlatie tussen de zekerheid en nauwkeurigheid van een ooggetuige wordt vaak gebruik gemaakt van een ‘lineup’. Hierbij wordt een verdachte geplaatst tussen andere mensen. Hieruit moet de getuige de dader identificeren. Het is een techniek die veelvuldig door de politie wordt gebruikt. Vaak krijgen ooggetuigen hierna ‘feedback’ van de uitvoerder. Bij een echte ooggetuige identificatie weet de uitvoerder namelijk wie de verdachte is en zegt na de identificatie of de ooggetuige de juiste heeft aangewezen. Deze ‘feedback’ zou een belangrijke factor kunnen zijn bij de beïnvloeding van de mate van zekerheid van een ooggetuige. Bevestiging van de ooggetuige identificatie zou er voor kunnen zorgen dat ooggetuigen hun zekerheid tijdens de identificatie hoger inschatten dan daadwerkelijk het geval was. Dit zou de correlatie tussen de zekerheid en de betrouwbaarheid van de identificatie kunnen verlagen. Dit komt omdat de zekerheid hoger wordt geschat maar de betrouwbaarheid niet toeneemt. Het te hoog schatten van de zekerheid is te verklaren door ‘misinformation acceptance’ (Ashcraft, 2006). Hierbij accepteert een persoon toegevoegde informatie, in dit geval de ‘feedback’, als deel van een eerdere ervaring zonder deze informatie daadwerkelijk te hebben herinnerd. Hiermee geeft de zekerheid niks aan over de accuraatheid van de identificatie. Het is alleen maar veroorzaakt door de ‘feedback’. Bij sommige ooggetuige identificatie experimenten wordt gebruik gemaakt van ‘hypothesis disconformation’. Dit is een techniek waarbij de ooggetuige redenen moet bedenken waarom zijn identificatie beslissing incorrect zou kunnen zijn. Deze techniek zou voor een nauwkeurigere schatting van de zekerheid kunnen leiden, en dus een hogere correlatie tussen de mate van zekerheid en betrouwbaarheid van de ooggetuige identificatie.

De vraag in deze paper luidt: Wat is de relatie tussen de zekerheid en de nauwkeurigheid bij het identificeren van een dader in een ‘lineup’? In dit paper zal eerst gekeken worden of er een relatie is tussen eigen zekerheid in een ooggetuige identificatie en de accuraatheid hiervan. Vervolgens wordt gekeken wat de invloed van verbale ‘feedback’ is bij de relatie tussen zekerheid en nauwkeurigheid van een ooggetuige identificatie. Tevens wordt gekeken of non-verbale ‘feedback’ van invloed kan zijn op deze relatie.

Relatie tussen eigen zekerheid in een ooggetuige identificatie en de accuraatheid

In eerste instantie moet worden nagegaan of er een verband is tussen de zekerheid van iemands identificatie en de accuraatheid hiervan. Deze paragraaf richt zich daarom op correlationeel onderzoek. Er worden enkele manipulaties uitgevoerd om te kijken of deze invloed heeft op de correlatie.

Brewer, Keast en Rishworth (2002) voerden een onderzoek uit met 936 proefpersonen naar de relatie tussen zekerheid en accuraatheid. Hierbij onderzochten ze, in tegenstelling tot het meeste eerder gedane onderzoek, of het ook mogelijk was om de proefpersonen hun zekerheid meer waarheidsgetrouw in te schatten door middel van twee verschillende manipulaties. De manipulaties bestonden uit een reflectieconditie en een ‘hypothesis disconfirmation’ conditie. Daarnaast was er een controle conditie waarbij geen manipulatie plaatsvond. De proefpersonen kregen eerst een video te zien van een gesimuleerde diefstal. Hierna moesten de proefpersonen, naar aanleiding van acht foto’s die op een computer werden getoond, aangeven wie volgens hen de dader was. Er was ook de mogelijkheid om aan te geven dat de dader er niet bij zat. Vervolgens werden de proefpersonen verdeeld over de controlegroep en de twee andere condities. In de controle groep moesten de proefpersonen vijf minuten na de identificatie hun zekerheid aangeven. In de reflectieconditie moesten de proefpersonen vijf minuten een vragenlijst maken waarbij nagedacht moest worden over hun identificatie beslissing. In de ‘hypothesis disconfirmation’ moesten de proefpersonen vijf minuten een vragenlijst invullen waarbij ze moesten nadenken waarom hun identificatie eventueel fout zou kunnen zijn. Hierna moesten de personen hun zekerheid op het moment van de identificatie aangeven. Uit de resultaten van de proefpersonen die verdeeld waren over de reflectie en ‘hypothesis disconfirmation’ conditie kwam een matige positieve correlatie tussen zekerheid en accuraatheid naar voren. In de controle groep werd een zeer lage positieve correlatie gevonden tussen de zekerheid en accuraatheid van de identificatie. Hieruit blijkt dat het nadenken over de identificatie de proefpersonen heeft geholpen bij het nauwkeuriger inschatten van hun zekerheid. Bij de controle conditie lijkt er sprake van het ‘overconfidence effect’ (Ashcraft, 2002). Dit houdt in dat mensen de neiging hebben tot een te groot zelfvertrouwen. Dit effect neemt toe naarmate de tijd tussen de opgedane kennis en het moeten herinneren hiervan toeneemt, tenzij er in de tussentijd nagedacht wordt over de zekerheid door reflectie of ‘hypothesis disconfirmation’. Het feit dat de proefpersonen in de controle conditie pas vijf minuten na de identificatie hun zekerheid moesten aangeven heeft zodoende ook kunnen bijdragen aan de lage correlatie.

Om het ‘overconfidence effect’ te verminderen moesten de proefpersonen in het onderzoek van Brewer en Wells (2006) hun zekerheid tijdens de identificatie direct hierna aangeven. De onderzoekers verwachtten hierdoor een hogere correlatie te vinden tussen de zekerheid en de betrouwbaarheid van de ooggetuige identificatie. In het experiment kregen 1200 proefpersonen, net zoals in het voorgaande onderzoek, een video van een diefstal te zien en moest volgens dezelfde procedure op de computer worden aangegeven op welk van de acht foto’s de dader te zien was. In dit onderzoek werden de proefpersonen niet gevraagd na te denken over hun identificatie, maar er werd direct gevraagd naar hun zekerheid. Er werd, zoals verwacht, een sterkere positieve correlatie tussen mate van zekerheid en accuraatheid gevonden dan uit het onderzoek van Brewer et al. (2002) naar voren kwam. Dit wil zeggen dat naarmate de zekerheid toenam de betrouwbaarheid van de identificatie verhoogd werd. De onderzoekers wijten dit verschil in correlatie onder andere aan het feit dat zij de proefpersonen - in dit laatstgenoemde onderzoek- direct na de identificatie naar hun zekerheid vroegen, terwijl er bij het voorgaande onderzoek vijf minuten tussen zat. Waarschijnlijk komt dit doordat er nu minder sprake is van het ‘overconfidence effect’.

Uit bovenstaande resultaten blijkt dat er een positief verband is tussen de eigen zekerheid van een identificatie beslissing en de nauwkeurigheid hiervan. Door reflectie of ‘hypothesis disconfirmation’ methoden te gebruiken wordt de positieve relatie iets vergroot. Als men de ooggetuige direct na de identificatie naar de zekerheid vraagt is de correlatie het hoogst.

Rol van ‘feedback’ op eigen zekerheid in ooggetuige identificatie

In de vorige onderzoeken kregen de proefpersonen de ‘lineup’ via een computerscherm te zien. Hierdoor was er, zoals in de werkelijkheid wel het geval is, geen sprake van interactie met de ’lineup’ uitvoerders. Er wordt hierdoor geen rekening gehouden met de ‘feedback’ die zij zouden kunnen geven en de invloed die dat zou kunnen hebben op de mate van zekerheid. Het eerder besproken ‘misinformation acceptance’ kan namelijk optreden. De zekerheid van de ooggetuige neemt namelijk toe als gevolg van bevestigende ‘feedback’, maar niet als gevolg van de accuraatheid van de identificatie zelf. De volgende onderzoeken zullen zich richten op de invloed van ‘feedback’ op de zekerheid en accuraatheid na een identificatie van een ooggetuige.

Wells and Bradfield (1998) onderzochten of bevestigende ‘feedback’ na een identificatie zou leiden tot meer vertrouwen in de identificatie dan dat de proefpersonen eigenlijk hadden op het moment van de beslissing. Proefpersonen moesten de dader, die vlak daarvoor in een video te zien was, kiezen uit vijf foto’s. De onderzoekers zorgden ervoor dat alle 352 proefpersonen een foute identificatie maakten doordat de dader niet in de ‘lineup’ zat en er niet op deze mogelijkheid werd gewezen. Vervolgens werden de proefpersonen toegewezen aan drie verschillende condities. Sommige mensen kregen bevestigende ‘feedback’, sommige kregen niet- bevestigende ‘feedback’ en anderen kregen geen ‘feedback’. Tegen de proefpersonen die bevestigende ‘feedback’ kregen werd gezegd dat het inderdaad de dader was. Tegen de mensen die niet bevestigende ‘feedback’ kregen werd gezegd dat het niet de dader was. Diegene die bevestigende ‘feedback’ kregen zeiden meer vertrouwen te hebben gehad op het moment van de identificatie dan diegene die geen of niet bevestigende ‘feedback’ hadden gekregen. Het idee dat bevestigende ‘feedback’ leidt tot verhoogde zekerheid van de ooggetuige is niet verrassend. Het is echter wel opmerkelijk dat de ‘feedback’ ervoor zorgt dat de ooggetuigen zich vergissen in de mate van zekerheid tijdens de identificatie. Volgens Wells en Bradfield (1999) komt dit doordat de proefpersonen pas na de ‘feedback’ gedwongen worden na te denken over hun zekerheid. Doordat zij geen duidelijke herinneringen hebben aan hun zekerheid tijdens de identificatie, leidden de proefpersonen deze af uit de zekerheid die ze hebben in de context van de ‘feedback’. Hier is dus sprake van ‘misinformation acceptance’.

Om duidelijker aan te tonen dat er sprake is van ‘misinformation acceptance’ repliceerden Wells en Bradfield hun onderzoek uit 1998 (Wells en Bradfield, 1999) met de toevoeging dat sommige proefpersonen voorafgaande aan ‘feedback’ moesten nadenken over hun zekerheid tijdens de identificatie. Er zou in deze conditie geen sprake moeten zijn van ‘misinformation acceptance’, omdat er nog niet sprake is van toegevoegde informatie en dus alleen hun zekerheid kunnen afleiden uit het moment van de identificatie. De onderzoekers verwachtten daarom een hogere zekerheid bij de proefpersonen die na de bevestigende ‘feedback’ moesten nadenken. Uit de resultaten bleek dat proefpersonen die na de bevestigende ‘feedback’ moesten nadenken een hogere zekerheid aangaven dan diegene die voorafgaand aan de bevestigende ‘feedback’ moesten nadenken. Hiermee wordt bevestigd dat er sprake is van ‘misinformation acceptance’.

De vorige onderzoeken richtten zich op de invloed van ‘feedback’ die proefpersonen kregen op hun eigen identificatie. Perfect, Hollins en Hunt (2000) maakten hiernaast nog onderscheid tussen mensen die ‘feedback’ kregen op hun eigen identificatie en mensen die ‘feedback’ kregen op hun eigen identificatie én op die van anderen. Deze laatste groep heeft hierdoor een idee hoe hun prestatie is in vergelijking met anderen. De onderzoekers voorspelden dat hierdoor de proefpersonen die ook nog ‘feedback’ kregen op die van anderen een hogere mate van zekerheid zullen aangeven. In het onderzoek moesten 102 proefpersonen een aantal foto’s bekijken. Er werd gezegd dat deze beoordeeld moesten worden op aantrekkelijkheid. Hierna werd aangegeven dat het onderzoek eigenlijk over ooggetuige identificatie zou gaan en dat de proefpersonen in een ‘lineup’ diegene zullen moeten aanwijzen die ze op een van de foto’s hebben gezien. Hierna werd gevraagd naar de zekerheid van de proefpersonen van hun identificatie. De resultaten gaven aan dat de mensen die de eigen ‘feedback’ kregen een hoge mate van zekerheid aangaven. Bij de mensen die daarnaast ook ‘feedback’ op anderen kregen gaven de proefpersonen een nog hogere mate van zekerheid aan. Doordat de betrouwbaarheid van de mensen niet toenam is de correlatie tussen zekerheid en betrouwbaarheid laag. Er kan geconcludeerd worden dat mensen die hun ‘feedback’ kunnen vergelijken met anderen een hogere mate van zekerheid aangeven dan mensen die alleen eigen ‘feedback’ krijgen.

Garrioch en Brimacombe (2001) onderzochten of non- verbale ‘feedback’ een invloed kan hebben op de zekerheid van ooggetuigen. De proefpersonen (n=104) moesten als ooggetuige of als ondervrager fungeren. De ooggetuigen kregen een video van een diefstal te zien. Ondervragers werden verdeeld over vier condities. Sommige ondervragers werd geen informatie gegeven (controle conditie), sommigen werd verteld dat nummer 5 uit de ‘lineup’ de dader was, sommigen werd gezegd dat nummer 3 uit de ‘lineup’ de dader was en anderen werd gezegd dat nummer 6 de dader was. De ondervrager mocht hierover niets zeggen tegen de ooggetuige. De onderzoekers wisten van te voren niet of er wel non- verbale ‘feedback’ zou plaatsvinden. Uit videobeelden bleek dat de meeste uitvoerders non- verbale ‘feedback’ gaven door de intonatie in hun stem en oogcontact met de ooggetuige. Enkele ooggetuigen gaven aan uit de intonatie en oogcontact te hebben opgemaakt of de aangewezen dader de werkelijke dader was. Na de identificatie werd gevraagd naar de zekerheid van de proefpersonen. De resultaten gaven aan dat ooggetuigen waarvan hun ondervrager dacht dat ze het juist hadden, meer vertrouwen hadden in hun identificatie dan bij de controlegroep het geval was. Ooggetuigen waarvan hun ondervrager dacht dat het de verkeerde was, waren minder zeker van hun identificatie dan de ooggetuigen uit de controlegroep.

Uit alle besproken onderzoeken blijkt dat na bevestigende verbale of non-verbale ‘feedback’ proefpersonen hun vertrouwen op het moment van de identificatie hoger schatten. Het geven van ‘feedback’ van anderen zorgt voor een nog hogere zekerheid, terwijl de betrouwbaarheid niet hoger wordt. Dit is waarschijnlijk te wijten aan ‘misinformation acceptance’. Alleen het onderzoek van Perfect et al. (2000) is niet helemaal vergelijkbaar met de anderen, omdat deze een afwijkende methode gebruikt en andere factoren van invloed kunnen zijn op de resultaten. Zo maken zij gebruik van foto’s in plaats video’s. Daarnaast werd de proefpersonen eerst gezegd het ging om hoe aantrekkelijkheid van de personen. In dit onderzoek moesten de personen zich ook meerdere personen herinneren wat het moeilijker maakte dan de andere onderzoeken. Zij komen echter wel uit op dezelfde resultaten.

Conclusie

Er is een positief verband tussen de eigen zekerheid van een identificatie beslissing en de nauwkeurigheid. Dit wil zeggen dat naarmate iemand zekerder is van zijn ooggetuige identificatie de betrouwbaarheid hiervan toeneemt. Door reflectie of ‘hypothesis disconfirmation’ methoden te gebruiken wordt de positieve relatie iets vergroot. Verbale of non-verbale ‘feedback’ zorgt ervoor dat de mate van zekerheid hoger aangegeven wordt. De betrouwbaarheid neemt daarentegen niet toe. Hierdoor wordt de positieve correlatie tussen de zekerheid en de betrouwbaarheid van een ooggetuige identificatie lager. Dit is te wijten aan ‘misinformation acceptance’. Als proefpersonen ‘feedback’ krijgen leiden ze hun zekerheid af uit deze ‘feedback’, omdat de eigenlijke zekerheid op moment van de identificatie onduidelijk is geworden. De beste methode is de ooggetuige direct na de identificatie naar de zekerheid te vragen zonder eerst ‘feedback’ te krijgen. Hierdoor wordt het ‘overconfidence effect’ en het misinformation acceptance’ uitgesloten en verkrijgt men de hoogste correlatie tussen zekerheid en betrouwbaarheid van een ooggetuige identificatie.

Er zijn echter een aantal kritiekpunten te noemen. Ten eerste kan men afvragen of de resultaten te generaliseren zijn naar de werkelijkheid. In de onderzoeken is alleen gebruik gemaakt van studenten en onprofessionele ondervragers. Echte ooggetuigen zouden meer gemotiveerd kunnen zijn om de dader te identificeren dan mensen die weten dat het om een simulatie gaat. Daarnaast wisten alle proefpersonen in de onderzoeken, behalve de proefpersonen in het onderzoek van Perfect et al. (2000), dat er naar aanleiding van een video op een bepaalde persoon gelet moest worden. In de praktijk worden ooggetuigen er niet op gewezen dat ze iemand in de gaten moeten houden. Deze kritiekpunten zorgen ervoor dat de resultaten wat moeilijker generaliseerbaar zijn naar de werkelijkheid. Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op het beter nabootsen van de werkelijkheid.

Hoewel de onderzoeken niet volledig de werkelijkheid nabootsen hoeft men de resultaten niet als nutteloos te beschouwen. Bijna alle onderzoeken geven aan dat de zekerheid van een ooggetuige identificatie beïnvloed kan worden door andere factoren dan de daadwerkelijke betrouwbaarheid. Men kan er vanuit gaan dat dit ook geldt voor de werkelijkheid. Om de relatie tussen vertrouwen en accuraatheid te verhogen zouden politiemensen rekening kunnen houden met een aantal dingen. Men zou bij echte ‘lineups’ rekening moeten houden met de sociale invloed van ‘lineup’ uitvoerders door bijvoorbeeld direct na de ondervraging naar de mate van zekerheid te vragen en door ‘double blind-testing’ sociale invloed zoveel mogelijk uit te sluiten. Daarnaast zou men duidelijk tegen de ooggetuige kunnen zeggen dat de dader er eventueel niet bij kan zitten. Als een ondervrager namelijk vraagt om de dader aan te wijzen gaat de ooggetuige ervan uit dat de persoon er tussen moet zitten en wijst iedereen iemand aan. Deze maatregelen zorgen zo hopelijk voor minder verkeerde identificaties en zo voor minder onschuldige mensen die veroordeeld worden.
© 2007 - 2012 Zozo, gepubliceerd in Juridisch (Zakelijk) op . Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Zozo is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…

Gerelateerde artikelen
Ooggetuige en oorgetuige Niet iedereen durft zich als ooggetuige te openbaren. In de criminele wereld kan een ooggetuige…
Feedback geven en ontvangen Als feedback op een goede manier gegeven en ontvangen wordt is het erg waardevol om in de toe…
Positieve psychologie Geluk? Wanneer ben je nu precies gelukkig? Komt dit door wat je meemaakt, wat je voelt, hoe je denk…
Veiligheid op de werkvloer verbeteren door feedback Feedback speelt een belangrijke rol bij het verbeteren van de veiligh…
360 graden feedback Leren van feedback: een hele krachtige manier om van anderen te leren hoe je je kunt verbeteren. Maar…

Reageer op het artikel "Betrouwbaarheid van ooggetuige identificatie"

Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.
Bronnen en referenties
  • Ashcraft, M. H. (2002). Cognition. (pp. 336–337). Upper Saddle River, New Jersey: Prentice Hall.
  • Brewer, N., Keast, A., & Rishworth, A. (2002). The confidence-accuracy relationship in eyewitness identification: The effects of reflection and disconfirmation on correlation and calibration. Journal of Experimental Psychology: Applied, 8, 46-58.
  • Brewer, N., & Wells, G. L. (2006). The confidence-accuracy relationship in eyewitness identification: Effects of lineup instructions, foil similarity and target-absent base rates. Journal of Experimental Psychology: Applied, 12, 11-30.
  • Garrioch, L., & Brimacombe, C. A. E. (2001). Lineup administrators' expectations: Their impact on eyewitness confidence. Law and Human Behavior, 25, 299-315.
  • Huff, C. R., Rattner, A., Sagarin, E., & Singer, S. I. (1998). Convicted But Innocent: Wrongful Conviction and Public Policy. The Annals of the American Academy of Political and Social Science, 557, 187.
  • Perfect, T. J., Hollins, T. S., & Hunt, A. L. R. (2000). Practice and feedback effects on the confidence-accuracy relation in eyewitness memory. Memory, 8, 235-244.
  • Sporer, S. L., Penrod, S., Read, D., & Cutler, B. (1995). Choosing, confidence, and accuracy: A meta-analysis of the confidence-accuracy relation in eyewitness identification studies. Psychological Bulletin, 118, 315-327.
  • Wells, G. L., & Bradfield, A. L. (1998). "Good, you identified the suspect": Feedback to eyewitnesses distorts their reports of the witnessing experience. Journal of Applied Psychology, 83, 360-376.
  • Wells, G. L., & Bradfield, A. L. (1999). Distortions in eyewitness' recollections: Can the postidentification-feedback effect be moderated? Psychological Science, 10, 138-144.
  • Wells, G. L., & Murray, D. M. (1984). Eyewitness confidence. In G. L. Wells & E. F. Loftus (Eds.), Eyewitness testimony: Psychological perspectives (pp. 155–170). New York: Cambridge University Press.
  • Wells, G. L., & Olson, E. A. (2003). Eyewitness Identification. Annual Review of Psychology, 54, 277-295.
Infoteur: Zozo
Rubriek: Zakelijk / Juridisch
Bronnen en referenties: 11
Schrijf mee!